Denk ook aan de adverteerders!

Steun de Stichting Stadsvoliere

Kweekverslag van de Zwartborstlijster

 

DE ZWARTBORSTLIJSTER – Turdus dissimillis

Door: Ben Doensen
21-05-2000

In het najaar van 1998 kocht ik tijdens de prachtige clubshow van de Speciaalclub voor liefhebbers van vruchten- en insectenetende vogels, twee zwartborstlijsters van de heer Penders uit Hoensbroek: een man en een pop eigen kweek 1995. Van deze aanschaf heb ik nooit spijt gehad.

Het zijn geharde vogels die het hele jaar door buiten kunnen blijven. Van oorsprong afkomstig uit het hooggebergte van Zuidoost – Azië.

Gebroed wordt mijns inziens onder overhangende rotsrichels. Bovendien zijn de zwartborstlijsters perfecte zangers.

Via de rubriek “Vraag en aanbod” in ons orgaan heb ik bij de heer Van Dieren uit Giesendam de pop omgeruild voor zijn eigen kweek 1995. Bijgevolg had ik sinds maart 1996 een stel waarmee ik verder kon.

Ik bezit een vlucht van 3.60 x 3.60 x 2.30 m. De bodem is bedekt met klei vermengd met schelpengrit. De gedeeltelijk overdekte volière heeft weinig zon en is beplant met groenblijvende en bladverliezende heesters. Hierin zijn de vogels medio april apart geplaatst. Hierbij beging ik echter een fundamentele fout. Het gevolg was een wilde achtervolging van de pop. Wie had dat mogen verwachten, omdat ze sinds de aanschaf in elkaars nabijheid hadden vertoefd in gezelschap overigens van andere lijsters. De man dus weer uitgevangen en achter het gaas gezet.

Binnen enkele dagen vertoonde de pop belangstelling voor het nestmateriaal dat her en der verspreid lag. Om een en ander te entameren werden er dagelijks wat vette regenwormen verstrekt in een zg. pierenbak, een emmer met een laagje vochtige grond van zo’n 5 cm dik.

Spoedig daarna heb ik de man weer bij de pop gelaten en toen klikte het.

De volgende dag begon zij met de bouw van het nest. Haar keus viel op een plankje vlak onder de overkapping en net boven het deurtje waarvan ik veelvuldig gebruik moest maken om mijn overige vogels (in andere ruimtes) te verzorgen. De man stak, evenals bij de meeste lijstersoorten het geval is, geen poot c.q. snavel uit.

Het nest werd met veel klei en kokosvezel op het plankje geplakt en was nogal slordig. Het was danook binnen een dag voltooid. Baltsgedrag heb ik niet waargenomen. De man floot hetgeen al heel wat betekent. Dit fluiten was bijzonder mooi en heel vroeg tussen vier en vijf uur in de ochtend. Vanaf 29 april werd elke dag een ei gelegd, vier in totaal. Op de Dag van de Arbeid begon de broed. Ook dit is weer net als bij de meeste lijsters echt vrouwenwerk en niks geen ontbijt op bed. Tijdens het verlaten van het nest om te eten, wilde hij hoogstens de wacht houden. Van die gelegenheid moest ik dan gebruik maken om op de tast het nest te inspecteren, want tussen de overkapping en het nest paste net geen spiegel. Dit kwam mij altijd op enige snavelhouwen te staan. Hij kweet zich dus wel van zijn taak.

Toen ik op 14 mei het verblijf van de zwartborstlijsters betrad, onthaalde hij mij op een aantal schijnaanvallen waarbij ik de vleugelslagen in mijn gezicht voelde, terwijl ik nog niet eens in de buurt van het nest was gekomen. Het was dus duidelijk, temeer de lege eierdoppen het beeld completeerden. Zodoende wist ik tevens hoe de eitjes van de Turdus dissimilis eruit zagen: bruin gemarmerd op een turkooise ondergrond en wat kleiner dan die van de merel.

Na een dag of vijf heb ik de stoute schoenen eens aangetrokken. Gewapend met veiligheidsbril en pet inspecteerde ik het nest. Deze voorzorgsmaatregelen waren nodig, want nu mengde de pop zich ook in de strijd en kwam als een kamikaze-jager aanscheren. Daarbij kwam ze enige keren zo onzacht met mij in aanraking dat ze versuft op de grond terecht kwam en met open snavel weer op verhaal moest komen. Maar toen wist ik wat ik weten wilde: twee van de vier eieren waren uitgekomen.

Tussen de pop en mij is het nooit meer goed gekomen. Vanaf dat moment had ik met twee agressievelingen te maken zodra ik hun verblijf betrad om hen en hun buren te verzorgen.

Van de verscheidenheid aan voer, te weten: buffalo’s, diepvriesmaden, pas ontvelde meelwormen, de verse nimfen en regenwormen, heb ik slechts kunnen waarnemen dat zij de jongen grootbrachten met enkel en alleen pieren.

Twaalf dagen na het uitkomen van de eieren begon de pop opnieuw met de bouw van een nest bovenop een nestkastje. Ook weer vlak onder de overkapping. De jongen zaten toen nog op het nest dat zij de vijftiende dag (28 mei) verlieten. Van die gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om de hele familie Turdus dissimilis te verkassen inclusief het nieuwe nest. De pop zinde dit niet, want twee dagen later vond ik kapot gevallen eieren onder een zitstok. Dit herhaalde zich nog enkele malen. Daarna had ze zich verzoend met de situatie en gaf het nest een opknapbeurt.

Het jeugdkleed van de jongen was aan de bovenzijde bruin; de onderkant okerkleurig met donkere vlekken.

Op 6 juni vond ik het eerste ei van het tweede legsel. Het tweede volgde een dag later. Daarna heb ik niet meer gecontroleerd, want er werd weer gebroed en niet storen dus. Ondertussen verzorgde de man de jongen en niet meer uitsluitend met pieren.

Ruim voor dat de eieren uit zouden komen heb ik de jongen apart gezet. Niet omdat de oudervogels agressief waren,  de pop duldde ze zelfs op de nestrand, maar omdat ze anders een te grote hoeveelheid van de kostbare pieren zouden verorberen.

Op 19 juni, na 12 dagen broeden, ontdekte ik een lege eierdop voor het gaas en werd er gevoerd. Ook waren de vogels weer agressiever dan normaal. De volgende dag lag er weer een lege dop. Een week na het uitkomen van het eerste ei telde ik tot mijn verbazing vier magere nekjes hongerig reikhalzend tot boven het nest.

Veertien dagen later, rond de klok van half negen, is er een uit het nest gesprongen c.q. gevallen, mijns inziens nog heel onbekwaam. Ik heb het van de wisse dood moeten redden, omdat het zich tussen de bamboe had verhangen. Al een paar dagen eerder scharrelden er twee of drie rond op de nestrand en op het dakje van het nestkastje om weer snel in het nest te wippen bij het voeren door de ouders. Het tweede jong volgde precies een uur later, maar nu geheel volgens de regels. Nummer drie verliet in de loop van de volgende middag het nest. Weer een dag later, de vierde juli, belandde de laatste op de grond. Deze bleek ver achter op de rest, maar dankzij de pieren en de ijzeren plichtsbetrachting van de ouders hebben ze het allemaal gehaald.

Naarmate de jongen vliegvlugger werden, verminderde de agressie van de oudervogels jegens mij, zodat ik me weer zonder veiligheidsbril en pet in het verblijf kon wagen.

Vergelijkenderwijs denk ik te mogen stellen dat de omgevingstemperatuur wel degelijk van invloed is op de duur van het broedproces. In het eerste geval, bij zeer koud voorjaarsweer, duurde het broedproces veertien dagen. Bij het tweede nest waarvan één der eieren gelegd werd op de warmste dag (± 30 graden), duurde het broeden maar twaalf dagen.

Dit verschil constateerde ik eveneens bij twee nesten van de dayallijsters van het vorige kweekjaar.

Je zou dan geneigd zijn om te zeggen: “Het kan niet heet genoeg zijn voor onze hobby.”