HET VOORKOMEN VAN ZIEKTEN

* Ziekten *   

        

HET VOORKOMEN VAN ZIEKTEN

Statistisch is uitgerekend, dat het jaarlijkse sterftecijfer van grotere vogels als houtduiven,

meeuwen, spechten, kraaien enz.  in de natuur varieert tussen 35 en 45 procent.

Bij de kleinere zangvogeltjes ligt dit cijfer tussen veertig en zestig procent.

In de volière staan de zaken er anders voor. Schommelingen in de vogelpopulatie

in de natuur als gevolg van een extra koude winter, een koud en nat voorjaar,

voedselgebrek enz. komen in een volière niet of veel minder voor.

De vogels worden er beschut en gekoesterd, beschermd tegen vijanden en

voorzien van alles wat hun hartje maar begeren kan. Voor de volièrevogel

bestaat er geen schaarste en het is dan ook geen wonder, dat de volièrebezitter

op heel wat gunstiger sterftecijfers wijzen kan. Statistisch zijn deze cijfers nog

nooit onderzocht, maar ze zijn in ieder geval heel wat gunstiger dan in de vrije

natuur en de vogelliefhebber kan er dus terecht trots op zijn. Dit wil echter niet zeggen,

dat hij dus ook maar tevreden moet zijn. Hij is immers liefhebber van vogels en dat houdt in,

dat hij ernaar streven zal, dit sterftecijfer nog te verlagen.

Dat betekent, dat hij zieke vogels dus met alle middelen waar­over hij beschikt zal

trachten te genezen, ook al doet hij daarbij al spoedig de ontdekking, dat hij daarmee

aan een moeilijke en vaak weinig voldoening gevende taak is be­gonnen.

Vogels genezen is moeilijk; een juiste diagnose stellen is nog moeilijker en vaak tast

men wat de aard van de ziekte bij vogels betreft, in de mist.

DAAROM IS HET VOORKOMEN VAN ZIEKTEN BIJ VOGELS ZO BELANGRIJK!

Helaas kan zelfs de beste verzorging niet alle vogelziekten voorkomen.

Ook in de vogelwereld kent men bacillen en virussen; ook gezonde vogels kunnen

kou vatten of besmet worden met parasieten of ziektekiemen. Kortom, ook de vogels

zijn onderworpen aan de wetten van ziekte en gezondheid, leven en dood die voor alle

levende wezens gelden.

Het is voor een vogelliefhebber belangrijk te weten, hoe een gezonde vogel eruit ziet,

want in dat geval kan hij afwij­kingen onmiddellijk constateren en maatregelen nemen.

Er­varing speelt daarbij een belangrijke rol. Vogelliefhebbers worden niet gemaakt

maar geboren, vogelkenner wordt men pas na langjarige ervaring.

 

DE ZIEKE VOGEL           

Zodra een vogel ziek wordt is het gedaan met zijn keurig verenpakje, met zijn zang,

met zijn activiteit, met zijn felle oogopslag. De veren zetten uit, de vogel zit stil en

slaapt veel, verliest een gedeelte van zijn schuwheid en brengt vaak veel meer

 tijd dan normaal aan de zaadbak door.

Hij verliest de interesse in zijn omgeving, hij wordt lichter van gewicht, verliest de

glans op zijn veren en het oog wordt dof.

De ervaren vogelkweker ziet met één oogopslag, dat er iets aan hapert.

En omdat hij direct ziet dat er iets mis gaat, staat hij er gunstiger voor dan de

niet ervaren liefhebber, die pas later en meestal té laat ontdekt, dat de vogel niet in orde is.

Daarom is het voor de liefhebber zo noodzakelijk, dat hij dagelijks zijn vogels

nauwlettend gadeslaat. Geen enkele vogel mag hij daarbij over het hoofd zien

en hij leert dan direct afwijkingen in het uiterlijk of in het normale gedragspatroon onderscheiden.

Bij die dagelijkse controle mag nooit vergeten worden op de mest te letten.

Bij vrijwel alle zaadetende vogels bestaat deze mest uit een grijswitte substantie,

die niet te dun mag zijn. Dunne, kleur­loze of afwijkend gekleurde mest wijst op

de mogelijkheid van ingewandsstoringen of andere ziekten.

Bij vruchten en insecteneters mag de mest gerust wat dunner zijn; ook daarbij

speelt ervaring een rol en men leert op den duur van zijn vogels zien, of er aan de

mest en daarmee aan de gezondheid iets hapert.

Vertoont een vogel nu ziekteverschijnselen, dan moet men ONMIDDELLIJK ingrijpen.

Wacht nooit af totdat de ziekteverschijnselen erger of duide­lijker worden en denk

nooit: het is vanzelf gekomen en het zal vanzelf wel weggaan. Ziekten komen niet

„vanzelf" en ze gaan ook niet „vanzelf" weg. Grijpt men niet in, dan bestaat er alle kans

dat de ziekte snel verergert en dat korte tijd nadien de beste maatregelen niet meer baten.

Wat doet men nu met zo'n zieke vogel?

Natuurlijk probeert men eerst de aard van de ziekte te leren kennen door een nauwkeurig

en systematisch onderzoek. Met andere woorden, men tracht de diagnose te stellen.

Er hoeft hier niet te worden benadrukt, hoe moeilijk het stellen van een juiste diagnose

kan zijn. De vogelliefhebber is geen dierenarts, dus hij is er niet voor opgeleid om

vogel­ziekten te genezen. Zelfs een kenner heeft in vele gevallen moeite met het

vaststellen van de aard van de ziekte en ook de dierenarts kan dat niet op het eerste

gezicht. Vaak is er een secuur en deskundig onderzoek nodig, voordat met zekerheid

kan worden vastgesteld, aan welke kwaal de vogel lijdt.

Soms echter zijn de symptomen duidelijk, vooral als het ziekten betreft, waarmee de

vogelliefhebber al eerder te ma­ken had.

Soms zal hij kans zien aan de hand van de beschrijving van een bepaalde ziekte te

ontdekken, waaraan het hapert of zal hij kans zien de richting te vinden, waarin hij

verder zoeken moet.

Maar soms ook tast hij in het duister en moet hij, min of meer op goed geluk,

maatregelen nemen om de zieke vogel te genezen.

Maar in alle gevallen is het steeds de moeite waard om althans te proberen de vogel

te genezen of van de dood te redden. Zelfs het goedkoopste vogeltje heeft het leven

lief en een vogelliefhebber die er niet alles voor over heeft om het leven van een van

zijn vogels te behouden, kan beter plaatjes gaan verzamelen.

Men leert al doende en wie de nodige voorzichtigheid be­tracht bij het gebruik van

geneesmiddelen, zal nooit veel brokken maken. Integendeel, hij zal het genoegen

smaken in vele gevallen een vogel die ten dode opgeschreven leek, weer in zijn

volière los te kunnen laten.

We hebben de vogel die ziekteverschijnselen vertoont voor­zichtig uit de kooi of volière

gevangen en we gaan hem nu aan een minutieus onderzoek onderwerpen.

Blaas de veertjes rondom de cloaca eens uiteen. Is de om­geving rondom de cloaca

vochtig en plakkerig, dan wijst dit in de richting van een voedingsstoornis of een

bacillaire ziekte. In vele gevallen is dan de huid rondom de cloaca en op de buik rood en vurig.

Voel eens aan het borstbeen. Is dat schep als een mes en zijn de spieren links en

rechts ervan mager en slap, dan duidt dat praktisch steeds erop, dat de gezondheid

van de vogel te wensen overlaat.

Natte neusgaten en een moeilijke, piepende ademhaling wijzen op verkoudheidsziekten

en een happend bekje kan wijzen op aspergillosis of pokken. In het laatste geval zijn

de beruchte pokken veelal op pootjes of bij de ogen te vinden. Bekijk de ogen, die soms

een ontstoken rand vertonen. Voel voorzichtig of pootjes en vleugels nog in orde zijn;

kijk onder de vleugels, blaas daar de veren opzij en zie scherp toe, desnoods met een

vergrootglas, of er ongedierte te ontdekken is. Zoek het lichaam af naar wonden of

tumors (gezwellen).

Is de vogel een pop, tast dan voorzichtig het onderlijf af, want misschien is er sprake

van legnood. Vraag U vervolgens af, of er nog iets anders aan haperen kan.

Is de voeding goed geweest? Is er een tekort aan eiwit, aan vitaminen, aan kalk?

Was het drinkwater zo vuil, dat de mogelijkheid bestaat, dat de vogel van dit water

ziek is geworden? Heeft de vogel kou gevat door op de tocht te zitten of is er een

plotseling groot temperatuursverschil opge­treden?

Kan er sprake zijn van vergiftiging door bedorven voedsel? Kortom, let op iedere

mogelijke oorzaak en tracht ieder symptoom te ontdekken. Is men op het juiste spoor,

dan is het immers veel gemakkelijker de juiste geneeswijze te vinden.

Na dit onderzoek zet men de vogel op een warm plekje apart, bij voorkeur in een

speciaal ziekenkooitje.

Heeft men zo'n ziekenkooitje niet, dan is een kleine kooi ook geschikt.

We dekken deze kooi met een doek af en laten alleen aan de voorzijde een kleine

opening vrij. De vogel zit dan rustig en als de zon schijnt draait men de kooi zo, dat

het zonnetje naar binnen schijnt. Extra warmte toevoegen door middel van een electrische

lamp is zeer aan te bevelen.

Men kan de vogel in dit ziekenkooitje op z'n gemak observeren en daarbij letten op

ziekteverschijnselen, die men bij het eerste onderzoek misschien over het hoofd

heeft gezien. Men kan dan ook de mest nauwkeurig bekijken en men heeft de zekerheid,

dat de zieke vogel zijn maats in de volière in geen geval meer kan aansteken.

 

HET ZIEKENKOOITJE           

Zieke mensen worden in bed gestopt. Met zieke vogels kan men dat niet doen,

maar wel kan men ze een verwarmde ruimte geven die het ziekbed moet vervangen.

Zo'n verwarmde ruimte is het ziekenkooitje, dat we aan de bezitters van vogels

niet genoeg kunnen aanbevelen. Het ziekenkooitje dat een glazen voorfront heeft,

laat een nauwlettend bestuderen van de zieke vogel toe. Men kan de temperatuur

opvoeren, zo hoog als men nodig acht en men kan de vogel speciaal voedsel en

eventueel geneesmiddelen geven. De vogel komt in het ziekenkooitje volkomen

tot rust; bij minder ernstige gevallen en als men er snel bij is, is een verblijf in het

kooitje vaak al zo heilzaam, dat genezing volgt zonder dat men verdere maatregelen

behoeft te nemen. Het kooitje is bestemd voor kleine volièrevogels tot merel­grootte.

Voor grotere vogels moet het dus wat groter worden genomen.

Aanvankelijk houdt men in het ziekenkooitje een tempera­tuur aan tussen 90 en

95 graden Fahrenheit. Men hangt daar­voor een thermometer in het kooitje.

Dreigt de temperatuur al te hoog te worden, dan kan men een der lampen uitschakelen

of de temperatuur doen dalen door meer te ventileren. Aan de onderzijde van het

ziekenkooitje bevinden zich ope­ningen waardoor verse koude lucht binnenkomt.

Deze lucht wordt door de lampen verwarmd, stijgt op en verlaat het kooitje dan door

de ventilatie openingen bovenin.

Bedenk dat een zieke vogel ook verse lucht nodig heeft. Vandaar dat men boven en

onder steeds minstens één ventilatie opening geopend moet laten.

In het ziekenkooitje krijgt de vogel het normale voedsel waaraan hij gewend was

en men let op, of hij daar ook van eet.

Gaat de vogel weer normaal eten, dan is het meestal niet nodig geneesmiddelen

te verstrekken, warmte en rust hebben in lichte gevallen vaak een verrassend resultaat.

Knapt de vogel op, dan vermindert men langzaam de warmte en na enkele dagen

schakelt men de lampen helemaal uit en kan men enige tijd later de vogel weer in

zijn oude omge­ving terugbrengen.

Men kan een ziekenkooitje gemakkelijk zelf maken; het zal in de praktijk zeer nuttig blijken.

 

REDEN TOT GROOT ALARM          

Als kort na elkaar vele vogels ziek worden en sterven, is er met recht reden tot groot alarm.

Soms kunnen ziekten van volièrevogels een ware ramp voor de liefhebbers betekenen.

Er zijn ziekten die in korte tijd de inwoners van een volière kunnen decimeren of zelfs

vrijwel uitroeien. Kanarieliefhebbers kennen de beruchte hapziekte of kanariepokken,

parkietenliefhebbers vrezen de ornithosis, fazanten­en kwartelkwekers de „blackhead".

Pseudo-vogelpest, cocci­diose of kruipersziekte kunnen het genoegen dat men aan

zijn vogels beleeft, grondig en snel bederven.

Is er sprake van een ziekte die als een epidemie om zich heen grijpt, dan is het zaak

direct en grondig in te grijpen. Dat wil zeggen, men isoleert onmiddellijk alle vogels

met ziekte­verschijnselen, zet de niet aangetaste vogels in een andere kooi en desinfecteert

de volière grondig. Weet men niet met welke ziekte men te doen heeft, dan doet men er,

zeker als het een waardevolle collectie betreft, ver­standig aan, de hulp van een dierenarts

in te roepen. Wellicht slaagt men er met zijn hulp in, nog wat kostbare exemplaren te behouden.

Van belang kan ook zijn een onderzoek, dat op sommige plaatsen door de keuringsarts van

het gemeentelijk abattoir geschiedt of dat men kan laten verrichten in het Centraal Diergeneeskundig

Laboratorium te Rotterdam, de vroegere Rijksseruminrichting.

Men kan ook trachten zelf de doodsoorzaak vast te stellen, maar dat is voor een leek geen sinecure.

Men dient daarvoor op de eerste plaats een vrij goed inzicht te hebben in de ligging en het

normale uiterlijk van de inwendige organen van een vogel.

Wie er lust in heeft, kan daarvoor eens „oefenen" op een geslachte, gezonde kip, waarvan men de

organen en hun ligging en uiterlijk goed bekijkt. Een vergelijking met de organen van een

gestorven volièrevogel brengt dan soms aan het licht, dat de darmen afwijkingen vertonen

of de lever vergroot is of verkleurd en hierin kan dan een aanwijzing worden gevonden over de ziekte.

Lang niet altijd is het echter voor de leek mogelijk, op deze wijze de doodsoorzaak vast te stellen.

Ook de dierenarts kan dat vaak niet zonder speciaal laboratorium onderzoek.

 

Het zgn. post -mortem (na de dood)  onderzoek moet natuurlijk zo spoedig mogelijk na de

dood van de vogel plaatshebben. Het is nog beter als men met een zwaar zieke vogel naar

de dierenarts gaat. Hij kan de vogel dan pijnloos uit zijn lijden helpen en het onderzoek

onmiddellijk verrichten. Wil men de vogel laten onderzoeken en is dat onderzoek niet

direct mogelijk of moet de vogel eerst worden verzonden, dan kan men de dode vogel

het beste eerst in een oplossing van 10 procent formaline en negentig procent water

leggen, na met een schaar de buikholte te hebben opengeknipt. In dit mengsel laat

men de vogel minstens zes dagen liggen. Dan wikkelt men de dode vogel in een doek

die in formaline is gedenkt, doet er een plastic zak omheen en pakt het geheel in een

doosje voor de verzending.

Dit geldt echter alleen, als er geen bacteriologisch onderzoek hoeft te geschieden.

Bij een met formaline behandelde dode vogel is dit bacteriologisch onderzoek namelijk

niet meer mogelijk. We zeiden al, dat bij een vermoeden van ziekte de vogels

onmiddellijk apart moeten worden gezet. Vooral bij ernstige ziekten of als meerdere

vogels tegelijk ziekteverschijnselen vertonen, mag men daar zelfs geen half uur mee

wachten. Let daarna goed op de gezonde vogels, want zodra daar ook ziekteverschijnselen

bij worden waargenomen, moeten ze eveneens van de anderen gescheiden worden.

Dan alleen bestaat de kans, dat men nog enkele vogels redden kan. Laat de gezonde

vogels in een ruime, schone kooi en ontsmet alle kooien, waarin zieke vogels hebben gezeten,

met een vier procent lysol-oplossing. Ook kan men de kooien uitwassen met een vijf procent

oplossing van carbolzuur en er daarbij voor zorgen, ook de naden goed te raken.

Ontsmette kooien mogen niet worden gebruikt, voordat ze goed droog zijn.

Rest nog de vraag, wat te doen met een zwaar zieke vogel, die niet meer te redden is.

Er is onder liefhebbers vaak gediscussieerd over de vraag of het aan te bevelen is een

zieke vogel snel uit zijn lijden te helpen, of dat het barmhartiger is, de vogel op zijn eigen

wijze te laten sterven. Het antwoord is voor velen niet gemakkelijk en er valt over te twisten,

in welke mate een stervende vogel lijdt. Hoe wordt een vogel pijn gewaar?

Hoe dan ook, het snel en pijnloos doden van een stervende of zwaargewonde vogel kan

nauwelijks bezwaren opleveren. Men kan de kop met een scherp mes afsnijden of met

een snelle ruk de nek breken. In beide gevallen is de vogel ogen­blikkelijk dood.

Er zijn misschien methoden die humaner lijken, maar ze zijn in vele gevallen niet zo afdoende.

DE EERSTE BEHANDELING           

De eerste behandeling die een zieke vogel dient te ondergaan dient, zoals we hebben gezien,

onmiddellijk na het ontdekken van de ziekte te geschieden. Hij wordt in een ziekenkooitje

of op een tochtvrij plaatsje zo warm mogelijk gezet, omdat warmte en rust in alle gevallen de

genezingskansen vergroten. Het is in dit stadium niet noodzakelijk en vaak zelfs ongewenst

om met geneesmiddelen te beginnen. Geef de natuur de gelegenheid, geholpen door rust en

 warmte, de ziekte te genezen.

Ziet men na een dag de vogel weer eten en verliest hij zijn zieke uiterlijk, dan is het herstel

meestal slechts een kwestie van enkele dagen.

Geneest de vogel echter niet en toont hij ook geen verbete­ring, dan kan men om te beginnen

de vogel met een druppelaar  die men voor een dubbeltje bij iedere apotheker krijgen kan  een

paar druppels van een mengsel, bestaande uit een theelepeltje water met een druppel of vier

jenever of brandewijn in de bek druppelen.

Gaat de vogel weer eten, dan zorgt men voor wat zacht voed­sel, een stukje in melk geweekt

oud brood, kanarie-eivoer, geweekte havermout of kanarie-krachtvoer, omdat de door ziekte

verzwakte vogel vaak moeilijk het zaad kan pellen. Men voegt daarna wat maanzaad of

negerzaad bij dit zachte voer en schakelt dan weer langzaam over op zijn gewone menu.

Eet de vogel weer goed, dan is het pleit gewonnen. Met medicijnen begint men pas als de

bovengenoemde mid­delen falen en als er aanwijzingen zijn die op een bepaalde ziekte wijzen.

Hoe deze medicijnen worden toegediend, hangt van de aard van de ziekte en van de aard van

de medicijnen af. Is een medicijn oplosbaar in water, dan kan men het door het drinkwater

mengen of het, met water gemengd, in de bek van een zieke vogel druppelen.

Poedervormige medicijnen en vettige medicijnen die niet in water oplosbaar zijn geeft men

door het zaad gemengd of gestrooid of gedruppeld op het zachtvoer. Zo kan men lever­traan,

levertraanemulsies of bepaalde vitaminen gemakkelijk toedienen door ze met het zachtvoer 

bijv. een stukje wittebrood  te vermengen.

 

EXPERIMENTEER NOOIT MET MEDICIJNEN DIE U NIET KENT. Als Uzelf door een

geneesmiddel genezen bent, wil dat nog niet zeggen, dat dit middel ook bij een vogel helpt.

Dieren verdragen soms stoffen die een mens het leven zouden kosten maar een onschuldig

geneesmiddel voor een mens kan voor een vogel dodelijk zijn. Vele vogels verdragen

bijvoorbeeld aspirine zeer slecht. Wat vogelliefhebbers in sommige gevallen  goedbedoeld

maar onwetend  aan hun zieke vogels te slikken geven, grenst aan het ongelooflijke.

Een fout die bij het toedienen van geneesmiddelen vaak gemaakt wordt, is die van de overdosering.

Mensen die zelf bij het innemen van drankjes van de dokter o zo voorzichtig zijn, gaan er

bij de vogels vaak van uit, dat „de eerste klap een daalder waard is". Het gevolg is,

dat ze teveel medicijnen geven of een veel te sterke oplossing. Als een mens van 75 kilo van

één aspirientje opknapt, dan is zelfs het tiende deel van een aspirientje al teveel voor een vogel

die nog geen half ons weegt. Wees daarom voorzichtig bij het geven van geneesmiddelen aan

vogels. Zo voorzichtig mogelijk! Voorzichtig bij de keuze van het geneesmiddel, voorzichtig bij

de hoeveelheid. Geef nooit medicijnen in het wilde weg, als men niet weet wat men bestrijden wil.

De kans dat men de juiste medicijnen geeft is dan praktisch uitgesloten en de kans dat men de

ziekte er alleen maar erger mee maakt, is zeer reëel.

We zouden slechts één uitzondering willen maken en wel voor de gevallen, waarin men niet

weet van welke ziekte er sprake kan zijn. En dat is voor een mengsel van vitaminen met het

een of andere breedspectrum antibioticum.

In sommige gevallen is het nodig of gewenst de vogels een geneesmiddel direct in de bek

toe te dienen. Met een druppel­spuitje lukt dat wel, mits men geduldig en voorzichtig is.

Men zuigt met het spuitje enkele druppels van het geneesmiddel op, neemt de vogel in de

linkerhand en tracht dan het bekje te openen met een aangespitste lucifer, die men tussen de

snavel duwt. Men druppelt dan de vloeistof in het kiertje.

Het uiteinde van de druppelaar in de bek steken is gevaarlijker. De mogelijkheid is dan aanwezig,

dat de vloeistof in de longen of de luchtzakken terecht komt.

De ervaring heeft geleerd, dat vogels meestal reeds reageren op geneesmiddelen in zeer kleine

doses en dat ze vaak anders reageren dan zoog­dieren van hetzelfde gewicht.

Vogelliefhebbers zullen hebben geconstateerd, dat de toedie­ning van antibiotica aan vogels

met grote omzichtigheid moet geschieden, omdat een overdosering als bijverschijnsel tijdelijke

of langer durende onvruchtbaarheid van een vogel kan veroorzaken.

Wie grotere vogels geneesmiddelen verstrekt, kan natuurlijk grotere doses geven, waarbij men

veilig als norm kan aannemen, dat een tweemaal zwaardere vogel ook een tweemaal zo grote

dosis kan worden verstrekt.

 

Ziekten en hun verwekkers           

De ziekten waaraan vogels lijden kunnen, kan men verdelen in gebreksziekten, bacillaire ziekten,

virus­ziekten, parasitaire ziekten en schimmelziekten.

De gebreksziekten zijn geen echte ziekten; ze ontstaan als de vogels iets noodzakelijks te

kort komen, hetzij vitaminen, eiwitten of mineralen en ze verdwijnen gewoonlijk zodra dit tekort is

opgeheven. Er is dus geen sprake van ziekteverwekkers.

Bij de overige ziekten treden wél verwekkers op. Deze verwekkers zijn op de eerste plaats de

microben, die we weer onderverdelen in bacteriën, virussen en in­wendige microscopische

parasieten. Voorts de schimmels en tenslotte de uitwendige parasieten.

Microben worden ook wel micro-organismen genoemd, omdat ze alleen onder een microscoop

zichtbaar zijn. We krijgen dus de volgende indeling:

 

       Microben

 

Bacterieën       Virussen          Inwendige parasieten

                                              of protozoën

       Coccen  Bacillen

 

Microben omvatten dus verschillende micro-organismen, die van plantaardige of dierlijke oorsprong zijn.

Bacteriën zijn microben van plantaardige oorsprong; men noemt ze ook wel microphyten en ze

worden onderverdeeld in coccen en bacillen.

De coccen hebben een ronde vorm, de bacillen zijn langwerpig. De inwendige parasieten of protozoën

zijn eencellige wezentjes van dierlijke oorsprong. De schimmels zijn plantaardig en tenslotte noemen

we nog de uitwendige, dierlijke parasieten als ziekte­verwekkers.

 

Gebreksziekten          

We hebben in het vorige al gezegd, dat gebreksziekten geen echte ziekten zijn.

Wel treden er ziekteverschijnselen op, maar deze verdwijnen vaak zonder een spoor na te laten,

zodra de oorzaak is opgeheven.

Soms echter, vooral als de vogel nog jong is, kunnen er als gevolg van gebreksziekten misvormingen

optreden of kan op andere wijze schade worden aangericht, die niet meer te herstellen is.

Niet alleen een tekort, maar ook een teveel kan ziekteverschijnselen veroorzaken.

Zo kan een teveel aan eiwit leiden tot verlammingen en een teveel aan vetten,

kan vetzucht tot gevolg hebben.

Wanneer er sprake is van een gebrek aan een bepaald vitamine of aan meerdere vitaminen,

spreekt men van AVITAMINOSE.

Avitaminosen komen bij goed verzorgde en goed ge­voede vogels praktisch niet voor.

Ze treden hoofdzakelijk op bij slecht gevoede vogels, bij pas geïmpor­teerde vogels of

bij zieke vogels, die het vermogen missen vitaminen in hun lichaam te vormen of op te nemen,

of bij de aanwezigheid van stoffen, die een goede opneming van vitaminen verhinderen.

Men noemt deze stoffen anti-vitaminen.

Zo moet een vogelliefhebber zijn vogels niet teveel houtskool geven, omdat houtskool de

vitaminen tijdens het spijsverteringsproces absorbeert en daardoor hun werkzaamheid verhindert.

Bacillaire ziekten           

Bacillaire ziekten worden door bacteriën veroorzaakt. We verdelen deze bacteriën in coccen en bacillen.

Ze zijn van plantaardige oorsprong, de coccen hebben een ronde vorm, de bacillen zijn langwerpig.

Bekende voorbeelden van coccen zijn de staphylo­coccen, die we bijvoorbeeld in pus (etter) aantreffen

en de pneumococcen die longontsteking veroorzaken.

Bekende bacillen zijn bijvoorbeeld salmonella-bacillen die de oorzaak kunnen zijn van typhus en de

 tuberkel­bacillen, de veroorzakers van tuberculose.

Zowel coccen als bacillen zijn zo klein, dat ze alleen onder een goede microscoop zichtbaar zijn.

   

Virusziekten           

Virussen zijn de allerkleinste ziekteverwekkers. Ze zijn zo klein, dat ze zelfs met de sterkste

microscoop niet te zien zijn, alleen met behulp van de electronen­microscoop kunnen ze worden waargenomen.

Zelfs het grootste virus is nog een dwerg tegenover de kleinste bacterie.

Op een lengte van één millimeter kan men bijvoorbeeld vierduizend virussen die de zo­genaamde

papegaaienziekte veroorzaken op een rijtje leggen en dat virus behoort dan nog tot de grootste virussen!

Over de vraag, wat virussen eigenlijk zijn, zijn de geleerden het nog niet eens. Virussen schijnen op de

grens te staan tussen de levende en de dode stof. Voor dode stof pleit het feit, dat vele virussen de

kristalvorm hebben, voor levende stof het feit, dat ze zich kunnen vermenigvuldigen.

Virussen letterlijk „smetstoffen"  zijn de oorzaak van heel wat ziekten van mens, dier en plant en ook

bij de vogels treffen we dus virussen aan als ziekte­verwekkers.

 

Parasitaire ziekten          

Parasitaire ziekten worden veroorzaakt door parasie­ten.
Per definitie zijn parasieten organismen die leven ten koste van andere organismen.

Omdat dit leven ten koste van anderen min of meer schadelijk is voor de gastheer,

zijn ziekteverschijnselen vaak het gevolg. We onderscheiden inwendige en uitwendige parasie­ten;

de eerste kunnen zich bevinden in het bloed, de ingewanden of de organen van een vogel,

de uit­wendige parasieten bevinden zich op het lichaam.

   

Uitwendige parasieten

Vier soorten uitwendige parasieten belagen de vogels van de liefhebber. het zijn mijten, luizen,
vlooien en teken. luizen en vlooien behoren tot de insecten en ze hebben dus zes poten:
mijten en teken behoren tot de spinachtigen, die acht poten hebben.
de doorsnee vogelliefhebber kent nauwelijks verschillen tussen uitwendige parasieten.
Hij spreekt meestal over luizen en bedoelt dan vaak de rode mijt, die het veelvuldigst in de
volière wordt aangetroffen.
De uitwendige parasieten zijn alle met het blote oog zichtbaar.
om verschillen te kunnen constateren moet men echter wel een loep gebruiken.
Sommige mijten en luizen leven van allerlei afvalstoffen op het lichaam van de vogel.
Ze zijn voor de vogel het minst lastig.
de andere uitwendige parasieten hebben gecombineerde stekende en zuigende monddelen
en ze leven van het bloed dat ze de vogels afzuigen.

MIJTEN           

De uitwendige parasieten van de familie van de spinachtigen kennen we onder de naam mijten.
Daarvan is de belang­rijkste de rode mijt. De vogelliefhebber spreekt vaak van rode luis of van
bloedluis of van luis zonder meer. De wetenschappe­lijke naam is dermanyssus.

De rode mijt leeft van het bloed dat hij bij slapende vogels afzuigt; zijn levensduur is meestal niet langer
dan een week of drie.In die tijd legt de rode mijt eieren, die zich ontwikkelen tot larven en zich daarna
verpoppen om tot een volwassen mijt uit te groeien.
Rode mijten zijn ongeveer tweederde millimeter lang.

 

 

 

 

 

 

 

Mijten vallen vogels van alle leeftijden lastig; er zijn soorten die een eigen gastheer hebben en
sommige soorten kunnen het ook de mens lastig maken.
Voor de rode mijt is karak­teristiek,
dat hij alleen 's nachts actief is en de vogels overvalt. Overdag trekken de rode mijten zich terug in
spleten en kieren, onder en achter kooien, in nestkastjes enz..

Ze laten de vogels 's nachts geen moment met rust, zuigen zich vol bloed en kruipen tegen de
morgen rood en dik van het bloed terug in hun schuilplaatsen.Voor het „eten" zijn ze grauw van kleur.
Vogels die last van rode mijt hebben, doen 's nachts vaak geen oog dicht en slapen, als gevolg
van het gebrek aan nacht­rust, overdag zeer veel. Broedende vogels kunnen het 's nachts op het
nest niet uithouden en jonge vogels die last van rode mijt hebben, verlaten het nest vroeger dan normaal.

Bij warm en vochtig weer gaat de vermenigvuldiging van de mijten dubbel zo snel.
Met hele horden overvallen ze dan de slapende vogels en het gevolg is bloedarmoede, verzwakking
en zelfs de dood.
In volières waarin rode mijt huist, kan de liefhebber broed­pogingen wel opgeven.
Steekt men in zo'n volière een mes in de een of andere kier van het hout, dan komt het er,
met bloed bevlekt weer uit.

Voedselmijten. Met bedorven voedsel of oud zaad kunnen voedselmijten de volière binnenkomen.
Tot deze soorten be­horen de mijten die graansoorten, meel en havermout tot een dradige massa
kunnen maken. In de volière leven ze in de zaadbakken, of tussen de voedselresten op de kooibodem.
 Deze mijten vestigen zich niet gemakkelijk op de vogels zelf, maar men zal begrijpen, dat ze de vogel
geen goed doen, als hij ze met de bedorven zaden opneemt.

Verenmijten. Er zijn diverse soorten verenmijten. De be­ruchtste is wel de schachtmijt (syringophyllus)
die bij de groeiende veer in de dan nog geopende schacht binnendringt en daar van het voedsel leeft,
dat voor de groei van de veer is bestemd. Ze belemmeren dus de verengroei en verzwakken de vogel.
Er is wel gedacht, dat de schachtmijt de oorzaak zou zijn van de kruipersziekte bij parkieten,
maar microscopisch onder­zoek heeft echter aan het licht gebracht, dat bij de meeste kruipers
geen aantasting door verenmijten aanwezig was.

Verenmijten komen voor bij hoenderachtigen en duiven en soms ook bij kleinere volièrevogels.
In de meeste gevallen blijkt het voorkomen van verenmijten bij volièrevogels te zijn onstaan door
contact met pikken. Vogels die hardnekkige kale plekken vertonen, kunnen last' van verenmijten hebben.
Schurftmijten. Deze mijten bijten zich vast bij de voet van de veren en graven gangen onder de opperhuid
van de ene veer naar de andere. Ze veroorzaken bij vogels een ondraag­lijke jeuk en men ziet
aangetaste vogels dan ook vaak hevig aan de eigen veren trekken of trachten deze veren bij de
voet af te bijten.
Er ontstaan dan kale plekken.

Normaliter hebben volièrevogels weinig last van schurft­mijten, maar grotere vogels, papegaaien
en parkieten, kunnen er wel in vele gevallen aan lijden.
De schurftmijten gaan gemakkelijk van de
ene vogel op de andere over en al spoedig vertonen de meeste vogels kale plekken, als men
eenmaal een schurftmijt aantasting heeft.
Bekijkt men zo'n schurftmijt geval, dan vindt men de afvalproducten van de mijten aan de voet van de veren,
vooral bij de veren die de vogel heeft afgebeten; ook tussen de veren in vindt men dan schurftkorstjes op de huid.

Kalkpoten bij hoenderachtigen en ook bij andere volièrevogels worden eveneens door een soort
schurftmijt veroorzaakt: Deze mijten huizen bij voorkeur op onbevederde plaatsen en ze vestigen
zich gewoonlijk onder de schubben, waarmee de poten zijn bedekt. Hun witte afvalproducten werken
de schubben omhoog en veroorzaken het kalkachtige uiterlijk van de aangetaste poten.

Bestrijding rode mijt. Er zijn verschillende insectenbestrij­dingsmiddelen in de handel, waarmee men
rode mijt te lijf kan gaan. De meeste bevatten pyrethrine, het insectenbestrijdingsmiddel dat wordt
vervaardigd van pyrethrum bloemen die in Kenya worden gekweekt. Dit pyrethrine is onschadelijk
voor vogels. Het wordt meestal gemengd met andere, eveneens onschadelijke bestrijdingsmiddelen,
die tot doel hebben de te bestrijden insecten te activeren, zodat het pyrethrine er beter op kan inwerken.

Bemerkt men dat de vogels 's nachts onrustig zijn en overdag veel slapen en tussen hun veren bijten,
dan kan dat een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van rode mijt.
Bij onderzoek blijkt dan gewoonlijk wel,
waar het ongedierte zich verborgen houdt.

Men doet er in dat geval verstandig aan, geen halve maatregelen te nemen. Men zet de vogels tijdelijk
in een andere kooi, zo ver mogelijk verwijderd van de plek waar ze eerst verbleven.
Nesten en nestkastjes worden uitgekookt en alle naden en kieren worden met creosoot of kokend water
uitgepenseeld en vervolgens goed met insectenpoeder volgeblazen. Men herhaalt dit na een dag of vijf en
tenslotte na een week nog eens, wast de hele zaak dan nog eens uit en wit of carbolineumt de kooi geheel.

Pas als de kooi goed droog is mogen de bewoners er weer in, maar niet voordat ze ook goed met
pyreline zijn bewerkt, waarbij vooral de nek, het gedeelte rondom de cloaca en onder de vleugels een beurt krijgen.
Er wordt veel geklaagd over gebrek aan resultaten bij het gebruik van insecticiden.

Bijna steeds is er echter in die gevallen sprake van nonchalance bij het gebruik.
Men moet van insecticiden namelijk geen wonderen verwachten.Men meent vaak dat men met een
eenmalig verspuiten of verstuiven van het insectendodend middel kan volstaan, maar men vergeet
dat alleen de parasieten worden verdelgd die rechtstreeks met het middel in aanraking komen en
dat de rest zich daarna weer snel vermenigvuldigt en opnieuw tot een plaag wordt.
Sommige insecticiden helpen alleen tegen luis en niet tegen mijten; men moet dus de
gebruiksaanwijzing goed lezen. Men kan alleen met zekerheid een einde aan een parasieten­plaag
maken door het gebruik van het juiste bestrijdings­middel en door bij de bestrijding zeer secuur
en afdoende te werk te gaan.

Het is voor een vogelliefhebber, vooral als hij nog niet „doorkneed is in het vak", moeilijk vast te stellen,
of er van een invasie van rode mijt sprake is. Aanwijzingen kunnen zijn: verzwakking en lusteloosheid bij
overigens gezonde vogels; het voortdurend zoeken tussen de veren, rusteloosheid 's nachts; het uitblijven van
broedpogingen of het verwaarlozen van de jongen in het nest. Vang dan 's avonds laat eens een vogel uit de
volière en bekijk die eens bij een sterke lamp. Is er sprake van rode mijt, dan ziet men de parasieten tussen de
 veren lopen en over uw hand.

Heeft men de vogels in een kleine kooi zitten, hang dan 's nachts eens een witte doek over de kooi.
Men treft op die witte doek dan 's morgens de mijten aan en men kan dan heel wat van dat ongedierte doden,
door de doek in kokend water te dompelen.

Bestrijding andere mijten. Voedselmijten, verenmijten en schurftmijten bestrijdt men met insecticiden.
Men kan de aanwezigheid van deze mijten, die zich ook overdag op de vogels bevinden, vaststellen
met het blote oog of met behulp van een vergrootglas.

Door mijten aangetaste vogels worden in lauwwarm zeep­water gebaad.
Dit bad wordt met tussenpozen van drie dagen driemaal herhaald en tussendoor bewerkt men de vogel
met insectenpoeder.
Dit laatste alleen als de vogel droog is. Men tracht zoveel mogelijk te voorkomen,
dat de vogel zeep­water of insectenpoeder in de ogen krijgt. Na het baden wordt met lauwwarm regenwater
nagespoeld; het geeft aan de veren zachtheid en glans. De aangetaste plekken worden ingesmeerd met
glycerine of vaseline. Ook kalkpoten worden met warm water behandeld en als dat zonder verwondingen
te veroorzaken mogelijk is, verwijdert men de loszittende schubben, waaronder de mijten zich bevinden.
Vervolgens penseelt men de pootjes met alcohol, vaseline of slaolie. Deze behandeling wordt enige malen
herhaalt, totdat men er zeker van is, dat alle mijten gedood zijn.

SCHUBBENKOPPEN (Scaly face)          

Bij papegaai-achtigen, vooral parkieten, komt een mijt aantasting voor in de omgeving van ogen en bek,
die bekend is als schurftkopziekte, schubbenkopziekte of scaly face.

Daarbij bevinden de mijten zich tussen de veren en op de naakte huid in de omgeving van snavel en ogen.
De veren zetten uit, omdat ze door de irritatie van de huid en door de afvalproducten van de mijten worden
opgeheven en ze vor­men een vieze massa, die er als ruwe schilfers of schubben uitziet.
De omgeving van het oog lijkt ontstoken. Doet men er niets aan, dan wordt het steeds erger en de andere inwoners
van de kooi worden, de een na de ander, aangestoken.

Genezen. 
Scaly face is  zeker in het beginstadium  gemakkelijk te genezen, mits men maar een beetje zorg aan de
behandeling besteedt. De aangetaste plek wordt ingesmeerd met vaseline of glycerine, die men goed
rondom de snavel en het oog in de huid werkt. Dit dient natuurlijk met de nodige voorzichtigheid te gebeuren
om het oog niet te beschadigen. Ook bij ernstiger aantasting is een behandeling met vaseline of glycerine
aan te bevelen. Men moet deze behandeling zo lang herhalen, totdat de aantasting is opgeheven.
Heeft de aantasting bij broedende vogels plaats, dan is het geven van een schoon nestkastje aan te bevelen.

Zijn de plekken rondom bek en ogen erg ontstoken, dan is het aan te bevelen, ze met een beetje penicilline
zalf te behandelen. 

Scaly face is geen gevaarlijke ziekte, maar wel een lastige, omdat ze gemakkelijk van de ene op de andere vogel
overgaat en omdat ze met veel zorg dient te worden behandeld om zekerheid van succes te geven.

 

LUIZEN, VLOOIEN, TEKEN             

Vrijwel alle vogels treden als onvrijwillige gastheer op voor een of meer soorten luizen.
De kip houdt er tien verschillende soorten op na, de patrijs vijf, de kanarie drie, de duif drie, de geelgors vijf,
de putter twee, de vink een, enz. Uit het wild gevangen en geïmporteerde vogels, vooral bodem­vogels,
houden er vaak teken op na. Teken behoren, net als de mijten, tot de spinachtigen. Ze zijn grauw van kleur
en ze hebben vaak de gewoonte zich te laten vallen, zodra ze zich vol bloed gezogen hebben. Is het
bloed verteerd, dan zoeken ze een nieuwe gastheer.

Vlooien komen niet vaak in volières voor. Zowel luizen, vlooien als teken zijn met het blote oog zichtbaar.
De leek breekt er zich gewoonlijk het hoofd niet over, met welke soort van het edele drietal hij te maken heeft,
maar hij zal bij de ontdekking van deze lastige kostgangers onmiddellijk de spuitbus met insectenpoeder te
hand nemen. Een herhaling van deze behandeling na enkele dagen is nodig om ook de inmiddels uitgekomen eitjes,
larven en neten om zeep te helpen.

 

Mislukkingen tijdens het broedproces

Als aan alle voorwaarden is voldaan, als de eieren normaal zijn gelegd, als ze bevrucht zijn en
normaal zijn bebroed, kan er nog iets anders misgaan.
In dat geval vindt men na het broedproces kiemen die tijdens dit proces zijn afgestorven of
volgroeide jongen, die vlak voor het uitkomen zijn afgestorven of die het ei wel hebben aangepikt,
maar geen kans hebben gezien, zich uit het ei te bevrijden.
We hebben hiervoor een klein schema, dat de kweker wegwijs maakt in mogelijke oorzaken en
middelen aangeeft om tot verbetering te komen.

 

(bron) C.J.Stork/Th. Vriends
vogelziekten

 

Interessante website's over vogelziekten. 

bek- en verenrot (PBFD) en polyomavirus bij papagaaien.

 

 

 

 


 

 

 

 


 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

site meting van 28 mei 2002 - 10 november 2011
38.495 + 10300 = 48795 bezoekers