Denk ook aan de adverteerders!

Steun de Stichting Stadsvoliere

 


Terug naar vorige pagina 

 

SNAVEL1

 

KLINIEK VOOR VOGELS,
Galgenkamposweg 4 7942 HD
Meppel

Vogeldierenarts: Drs. J.Hooimeijer, Tel;0522-259455. Fax; 0522-263447

Email:

jan.birds@worldonline.nl

 

SNAVEL – EN VEERROTZIEKTE BIJ
PAPEGAAIACHTIGEN

Inleiding

 

Snavel-en veerrotziekte is een ziekte die al vele jaren bij papegaaiachtigen is
onderkend.

De aandoening is voor het eerst in 1975 in Australie beschreven bij Oranjekuif
kakatoes. De ziekte is, vanwege het voorkomen bij deze kakatoes, jarenlang
Sulfur Crested Syndroom genoemd.

In de loop van de jaren bleek de ziekte bij ongeveer 40 soorten papegaaiachtigen
voor te komen.

De naam is daarom veranderd omdat het niet alleen een kakatoe ziekte is.

De nieuwe naam is Psittacine Beak and Feather Disease (PBFD) oftewel Snavel- en
Veerrotziekte bij Papegaaiachtigen.

Door onderzoek is bewezen dat de oorzaak een virusziekte is.

Dit virus veroorzaakt een besmettelijke ziekte bij veel soorten
papegaaiachtigen. Papegaaien, kakatoes , ara’s , agaporniden en vele
parkietensoorten zijn gevoelig voor PBFD.

Verschijnselen

 

De meest opvallende uitwendige verschijnselen zijn de veerproblemen en de
snavelafwijkingen.

Verder is bekend dat het virus het afweersysteem van de vogels aantast zodat de
vogels gevoeliger zijn voor andere ziektes.

De problemen worden het meest gezien bij jonge dieren. Van deze ziekte is bekend
dat vooral jonge, zich ontwikkelende dieren gevoelig zijn voor een besmetting.

De eerste verschijnselen kunnen al naar voren komen tijdens de eerste
ontwikkeling van de bevedering bij de jonge vogel. Ook kunnen de verschijnselen
naar voren komen tijdens de eerste jeugdrui. Ook zijn er vogels, waarbij de
afwijkingen pas na jaren zichtbaar worden.

De veerafwijkingen kunnen zich over het hele lichaam uitbreiden, maar kunnen ook
beperkt blijven tot een gedeelte.

Het kan hierbij deels gaan om de lichaamsbevedering. In veel gevallen zien we de
afwijkingen beperkt tot de handpennen en de staartpennen. De afwijkingen komen
in het algemeen symmetrisch voor.

Er ontwikkelen zich afwijkende veren met stolsels in de schacht, verdikkingen en
insnoeringen aan de basis van de schacht, waarbij de veren kunnen uitvallen.
Verder kan de gehele struktuur van de veren afwijkend zijn. Ook afwijkende
pigmentatie van de bevedering kan een verschijnsel zijn bij besmette vogels.

Vooral bij kakatoes is opvallend dat de eerste verschijnselen kunnen beginnen
bij de donsveren. Door het niet meer aanmaken van normale donsveren maakt de
vogel onvoldoende “poeder”. Dit poeder is normaal de oorzaak van de
matte, grijzige aanslag op de snavel bij een gezonde vogel. Bij PBFD kan
opvallen dat de snavel glimmend zwart wordt door het ontbreken van dit poeder.

Ook vooral bij kakatoes vinden we snavelmisvormingen met ernstige aantasting van
het hoorn van de snavel met scheuren en ontstekingen. Er kan ook aantasting van
de kwaliteit van de nagels optreden.

Door de aantasting van het afweersysteem sterven de meeste vogels uiteindelijk
aan verschillende infekties met bacterien en/of schimmels.

De ervaring is, dat het merendeel van de vogels die verschijnselen vertonen
binnen een periode van 1 – 3 jaar doodgaan aan allerlei complicaties.

Verspreiding

Het virus kan door huidschilfers, veerstof en ontlasting in de omgeving worden
verspreid.

Ouders kunnen jongen besmetten tijdens het voeren.

Verder zijn er aanwijzingen dat het virus ook, door de pop, via het ei kan
worden overgebracht.

Een groot probleem in de verspreiding is, dat er vogels zijn met een besmetting
zonder uitwendige (klinische) verschijnselen. Deze zogenaamde dragers spelen een
belangrijke rol bij de verspreiding van deze besmettelijke ziekte.

Dit kan zowel gaan om volwassen vogels als om jonge vogels die nog geen
verschijnselen vertonen.

Incubatieperiode

 

De kortste periode tussen een besmetting en uitwendige verschijnselen,(= de
incubatieperiode) is 22-25 dagen.

De maximale periode is niet bekend. Er is een geval van een kakatoe, die ruim
twintig jaar solitair als huisvogel was gehouden en vervolgens in een ruiperiode
verschijnselen ging vertonen.

Bij nestjongen kan de ziekte een sneller verloop hebben dan bij volwassen
vogels. Jonge vogels zijn het meest gevoelig voor de besmetting. Tijdens de
veeraanmaak van de jongen kunnen de afwijkingen al binnen enkele weken zichtbaar
zijn.

Diagnose

De diagnose is te stellen op grond van:

1- de uitwendige verschijnselen

2- weefselonderzoek

3- bloedonderzoek

ad 1. De uitwendige verschijnselen kunnen in veel gevallen al duidelijk aangeven
in welke richting we moeten zoeken.

zie onder verschijnselen.

ad 2. In Nederland bestaat de mogelijk om van afwijkingen, weefselonderzoek te
laten doen. Hierbij sturen we, in formaline gefixeerd, veer-en huidmateriaal op
naar de vakgroep pathologie, afdeling bijzondere dieren van de faculteit voor
diergeneeskunde in Utrecht.

Met dit weefselonderzoek kunnen typische insluitlichaampjes in de cellen worden
gevonden, bewijzend voor de ziekte.

Een beperking van dit onderzoek is, dat alleen vogels met afwijkingen in
aanmerking komen voor dit onderzoek.

ad 3. In Amerika is een test ontwikkeld om door middel van bloedonderzoek aan te
tonen of de vogel besmet is met het virus ( vergelijkbaar met de Aidstest).
Hierbij kunnen ook vogels worden getest die (nog) geen afwijkingen vertonen.

Deze test is in het najaar van 1993 beschikbaar gekomen in Engeland.

Behandeling

Zoals bij alle virusziektes, zijn er geen specifieke medicijnen om de ziekte te
behandelen. Er kunnen ondersteunende maatregelen genomen worden en de
complicaties kunnen worden behandeld.

Uiteindelijk zijn de kansen op herstel vrijwel te verwaarlozen en is er een
reeele kans dat vogels drager blijven. Hiermee kunnen deze vogels verder voor
verspreiding van de ziekte zorgen.

In enkele grote bestanden in Amerika kon men uiteindelijk vrij komen van de
ziekte door, gedurende enkele jaren, het toepassen van een zeer strenge
selektie. Vogels met verschijnselen en vogels die hiermee in kontakt geweest
waren, werden geeuthanaseerd.

Ook in de Nederlandse situatie zal, in de meeste gevallen, euthanasie de enige
verstandige beslissing zijn.

De ontwikkeling van een entstof kan hierin verandering brengen omdat
gevaccineerde dieren geen risico meer lopen.

Preventie

Zoals bij alle virusziektes, is de enige goede preventie te verwachten van een
entstof.

In Amerika zijn al experimentele ervaringen met een entstof opgedaan. Deze
ervaringen lijken gunstig.

Het zal vermoedelijk nog wel jaren duren voordat wij van deze ontwikkelingen
kunnen profiteren.

In de toekomst kunnen vogels door middel van de bloedtest

worden onderzocht. Dit zowel bij de aankoop van nieuwe vogels als om te
onderzoeken in hoeverre er dragers in een bestand aanwezig zijn.

Aktuele preventieve maatregelen zijn :

 

** Bij een aankoop zeer bewust weten van wie een vogel wordt gekocht. De aankoop
van vogels met een onbekende achtergrond, is in veel opzichten een groot risico.

** Een langdurige quarantaine periode, waarbij vogels met name in een ruiperiode
kritisch onderzocht moeten worden.

Vooral jonge vogels moeten de eerste 2 jaar herhaaldelijk worden onderzocht
tijdens de veeraanmaak.

** Het realiseren van huisvesting waarbij stofvorming en verspreiding zoveel
mogelijk beperkt kan worden. Vogels in buitenvluchten leveren een minder groot
risico op dan vogels in binnenverblijven. Volieres en vogelverblijven moeten
zoveel mogelijk gescheiden zijn waarbij binnenverblijven over een goede
ventilatie en afzuiging moeten beschikken.

** De handel in babypapegaaien moet aan banden worden gelegd. Het bij elkaar
brengen van jonge vogels vanuit verschillende (onbekende) achtergronden moet
worden verboden. Deze baby’s zijn extra gevoelig voor een besmetting en kunnen
tegelijkertijd deze virusziekte gemakkelijk verspreiden. Mijn inziens speelt de
verspreiding, via de anonieme babyhandel, de laatste jaren een grote rol bij de
verspreiding van o.a. deze besmettelijke virusziekte.

** Er dient een verplichting te komen dat uitsluitend jonge vogels met een vaste
voetring ofwel een microchip verhandeld mogen worden. Hierdoor kan de herkomst
van een besmetting worden achterhaald.

Deze preventieve maatregelen spelen vanzelfsprekend ook een rol bij de preventie
van andere besmettelijke ziektes bij papegaaiachtigen.

Differentiaal diagnose

 

Een differentiaal diagnose is een overzicht van verschillende ziektes, waarvan
de verschijnselen met elkaar overeen komen.

Het gaat hierbij vooral om aandoeningen van de huid en de bevedering.

Zonder verder in dit artikel te willen ingaan op deze verschillende ziektes is
het mogelijk toch goed om zich te realiseren dat niet elke huid-, snavel- en
veerafwijking veroorzaakt wordt door PBFD.

Enkele voorbeelden:

** Stokrui waarbij vogels in korte tijd onevenredig veel veren verliezen.

** verenplukkerij of anderszins beschadigde bevedring.

** ruistoornissen met afwijkende bevedering door langdurige voedingsfouten.

** chronische ziektes en vergiftigingen kunnen uiteindelijk afwijkende
bevedering veroorzaken.

** polyfollikulosis bij agaporniden en graspakieten met kaalheid, jeuk en
afwijkende veervorming.

** kruiperziekte is ook een virusziekte met stoornissen in de aanmaak van
vleugelpenen en staartpennen.

** papovavirusinekties kunnen bij jonge papegaaien, kakatoes en ara’s
ontwikkelingsstoornisssen veroorzaken.

** huidontstekingen door bacterie- en/of schimmelinfekties kunnen
veerafwijkingen veroorzaken.

Discussie

Door mij is de afgelopen jaren in toenemende mate verspreiding van PBFD
geconstateerd.

De problemen concentreren zich vooral op aangekochte jonge papegaaien en
kakatoes die via de ( bekende) tussenhandel worden aangeschaft. Het gaat hierbij
om kwekers/liefhebbers die daardoor problemen krijgen maar daarnaast om
“partikulieren” die, veelal via deze tussenhandel, een huisvogel
aanschaffen met deze fatale besmettelijke ziekte.

In toenemende mate wordt ik in mijn vogelkliniek geconfronteerd met drama’s.
Mensen kiezen bewust voor de aanschaf van een huisvogel en hopen samen met de
vogel te kunnen oud worden. Er is soms langdurig geld voor opzij gelegd. Na
enkele weken of maanden blijkt hun handtamme vogel een dodelijke ziekte te
hebben. Verkopers/handelaren zijn niet thuis en laten mensen in de kou staan. De
bekendste handelaar in de randstad laat de kopers zelfs een, mijns inziens,
schandalig koopkontrakt tekenen waarbij er “gelegenheid” gegeven wordt
om de vogels binnen 2 dagen na de aankoop te laten onderzoeken. Dit wil zeggen
dat, zelfs als vogels binnen een inkubatieperiode problemen krijgen, de verkoper
zich veilig heeft ingedekt. Alle risico’s worden afgewenteld op de kopers die in
het algemeen bijzonder slecht worden voorgelicht.

Mensen worden door deze ellende sterk gedemotiveerd.

Via een dergelijke handel, waarbij vogels vanuit allerlei onbekende
achtergronden bij elkaar worden gebracht, is de kans op een besmettelijke ziekte
onevenredig groot.

De vogelliefhebberij moet hier afstand van nemen. Het gaat de gehele
vogelliefhebberij aan. Negatieve ervaringen en negatieve publiciteit kunnen de
beeldvorming over het kweken van papegaaien in gevangenschap zeer ongunstig
beinvloeden.

Een ander groot probleem is de toenemende verspreiding bij grote parkieten.
Koningsparkieten, princes of wales, halsbanden enz. enz. zijn allemaal gevoelig.

Door onwetendheid worden vogels verhandeld zonder dat de consequenties worden
onderkend.

In mijn kliniek werden onlangs 6 jonge koningsparkieten aangeboden voor
endoscopisch onderzoek. Het ging om vogels van een prima kweekkoppel.

Bij onderzoek bleken 2 vogels de typische verschijnselen te vertonen.
Vervolgonderzoek in Utrecht bevestigde de diagnose.

De conclusie moet dan zijn dat niet alleen de 6 jonge vogels maar ook het oude
koppel besmet zal zijn met PBFD. Verder zullen er in het bestand dan nog wel
meer vogels besmet zijn.

In de praktijk worden de 4 “normale” vogels domweg verkocht. Het
kweekkoppel kan nog jaren de ziekte via de jongen verspreiden, zonder zelf
ziekteverschijnselen te vertonen.

Conclusies

* De toegenomen intensiteit van het kweken en verhandelen van
(baby)papegaaiachtigen verooraakt een verspreiding van besmettelijke
(virus)ziektes zoals PBFD.

* Het is een gegeven dat er dragers zijn van deze ziekte zonder
ziekteverschijnselen.

* Zonder de mogelijkheid om deze dragers op te sporen, zal de ziekte zich de
komende jaren verder verspreiden.

* De ziekte wordt bewust verspreid door kwekers en handelaren die weten dat er
besmette vogels in de bestanden aanwezig zijn.

* Vogelverenigingen/bonden en individuele liefhebbers zullen zich moeten
bezinnen op preventieve maatregelen.

* De georganiseerde vogelliefhebberij moet onderzoek naar vogelziektes
stimuleren en ondersteunen. Zeker als het gaat om ziektes, waarvan te verwachten
is dat deze een zeer nadelig stempel kunnen drukken op de gehele liefhebberij.

© J.Hooimeijer, vogeldierenarts.